How We Ruin Our Good Deeds - 30 Verses For 30 Days 3/30
Salamun alaykum, dear brothers and sisters, and welcome to the third Tafsir Clip of the month of Ramadan. Today Insha Allah, we will delve into a verse of the Qur'an that is situated in the third Juz of the Qur'an and that is verse 264 and 265 from Surat ul-Baqara. The verse starts out like this: "ya ayyuha alladeena amanu, la tubtilu sadaqatikum bi 'l-manni wa al-adha"(2:264). O you who believe do not take the Sadaqat that you give, the charity that you give or the good deeds that you do. Do not take them and ruin them, "bi 'l-manni wa al-adha", don't ruin them by constantly reminding the person that you did this good to going back to them and reminding them and telling them, hey, you remember I did this for you; "wa al-Adha" and bothering that individual after you have done good for them.
And then the verse continues: "kalladi yunfiku malahu ri'ya'a an-nas" (2:264), because the person who does this, he does a good deed and then he comes back and he ruins it, is like the person who does ri'ya. The person who does ri'ya, he thinks there is a good deed waiting for him on the Day of Judgment, but then when he shows up on the Day of Judgment, he finds that his good deed is nowhere to be found.
Now, this is a concept and an idea that can be implemented in so many different areas of our life. There are so many different situations where we might do something good and we put in time into it and we put effort into it. But after we are done with it, then the person who benefited from the good that we did, we start creating problems for them. Either, for example, we go back to them and we put them down, and we humiliate them, because of the help that they needed in a particular situation. Sometimes that happens. Sometimes al-adha happens you're nice to somebody, but then in other situations to the same person, you bother the person, or you annoy the person, or you have bad Akhlaq towards that same person.
Sometimes this happens, for example, a mother and a child or a father and their child. And this works both ways. Maybe I do something for my mother or father, but then two days later I lose my temper with them. What I am doing here is I am taking that good deed that I had worked so hard for and I am ruining it. And I assume that that good deed is going to be waiting for me on the Day of Judgment, but because I ruined it with this other sin, for example, of yelling, shouting, bad Akhlaq lock, for example, then I've already ruined it and it doesn't show up for me on that day.
The analogy that the Qur'an gives is like a person who wants to take a seed and plant the seed. And when he wants to plant the seed, he thinks he put it in the ground and therefore it is going to be planted and it's going to remain for him, it is going to grow for him, it's going to show up for him on the Day of Judgment. But the Qur'an says this person because he did it with the wrong intention, in the case of ri'ya or he ruins it afterwards "bi 'l-manni wa al-adha", this it's like placing the seed on a rock and then a storm comes and before this seed can even be planted within the ground, it is swooped up in the air and it is gone. And when this person shows up on the Day of Judgment looking for his seed, aka his good deed, it is nowhere to be found.
But now verse 265 says if you do things with the right intention, then Allah Subhana wa Ta'ala will take that deed of yours and it is as if He has planted it in a place where it gets a lot of rain. So instead of it giving one reward for you, He doubles the rewards for you. Yes. It says it is like taking that seed and planting it in an area where it gets extra rain. It gets extra water.
Why? Because he did it with the right intention. So if we do things with the right intention, inshaAllah, they will show up for for us in the Day of Judgment. God forbid if we don't, it might look like we planted a seed, but in reality we never planted any seed.
Salam alaykum, beste broeders en zusters, en welkom bij de derde Tafsir Clip van de maand Ramadan. Vandaag zullen we ons in'sha'Allah verdiepen in een vers van de Koran dat zich bevindt in de derde Juz van de Koran en dat is vers 264 en 265 uit Surat ul-Baqara(de koe). Het vers begint als volgt: "ya ayyuha alladeena amanu, la tubtilu sadaqatikum bi 'l-manni wa al-adha"(2:264). O jullie die geloven, neem niet de Sadaqat die jullie geven, de liefdadigheid die jullie geven of de goede daden die jullie verrichten. Neem ze niet en ruïneer ze niet, "bi 'l-manni wa al-adha", ruïneer ze niet door de persoon er constant aan te herinneren dat je dit goed hebt gedaan om naar hem terug te gaan en hem eraan te herinneren en hem te zeggen, hé, weet je nog dat ik dit voor jou heb gedaan; "wa al-Adha" en die persoon lastig te vallen nadat je goed voor hem hebt gedaan.
En dan gaat het vers verder: "kalladi yunfiku malahu ri'ya'a an-nas" (2:264), want de persoon die dit doet, hij doet een goede daad en dan komt hij terug en hij verpest het, is als de persoon die ri'ya doet. De persoon die ri'ya doet, denkt dat er een goede daad op hem wacht op de Dag des Oordeels, maar als hij dan op de Dag des Oordeels verschijnt, ontdekt hij dat zijn goede daad nergens te vinden is.
Dit is een concept en een idee dat op zoveel verschillende gebieden in ons leven kan worden toegepast. Er zijn zoveel verschillende situaties waarin we iets goeds doen en er tijd en moeite in steken. Maar als we daarmee klaar zijn, beginnen we problemen te creëren voor de persoon die heeft geprofiteerd van het goede dat we hebben gedaan. Of we gaan bijvoorbeeld naar ze terug en we zetten ze neer en we vernederen ze, vanwege de hulp die ze nodig hadden in een bepaalde situatie. Soms gebeurt dat. Soms gebeurt al-adha dat je aardig bent tegen iemand, maar dan in andere situaties tegen dezelfde persoon, je valt de persoon lastig, of je ergert de persoon, of je hebt slechte Akhlaq tegen diezelfde persoon.
Soms gebeurt dit bijvoorbeeld bij een moeder en een kind of een vader en hun kind. En dit werkt twee kanten op. Misschien doe ik iets voor mijn moeder of vader, maar twee dagen later verlies ik mijn geduld met hen. Wat ik hier doe is dat ik die goede daad waar ik zo hard voor gewerkt had, verpest. En ik ga ervan uit dat die goede daad op mij zal wachten op de Dag des Oordeels, maar omdat ik het verpest heb met die andere zonde, bijvoorbeeld schreeuwen, roepen, slechte Akhlaq slot, dan heb ik het al verpest en verschijnt het niet voor mij op die dag.
De analogie die de Koran geeft is als iemand die een zaadje wil nemen en het wil planten. En wanneer hij het zaad wil planten, denkt hij dat hij het in de grond stopt en daarom zal het geplant worden en het zal voor hem blijven, het zal voor hem groeien, het zal voor hem verschijnen op de Dag des Oordeels. Maar de Koran zegt dat deze persoon omdat hij het met de verkeerde intentie deed, in het geval van ri'ya of hij verpest het achteraf "bi 'l-manni wa al-adha", dit is alsof je het zaad op een rots plaatst en dan komt er een storm en voordat dit zaad zelfs in de grond geplant kan worden, wordt het de lucht in geslingerd en is het weg. En wanneer deze persoon op de Dag des Oordeels verschijnt op zoek naar zijn zaad, aka zijn goede daad, is het nergens te vinden.
Maar nu zegt vers 265 als je dingen doet met de juiste intentie, dan zal Allah Subhana wa Ta'ala die daad van jou nemen en het is alsof Hij het heeft geplant op een plek waar het veel regen krijgt. Dus in plaats van dat het één beloning voor je geeft, verdubbelt Hij de beloningen voor je. Ja. Er staat dat het is alsof je dat zaad neemt en het plant in een gebied waar het extra regen krijgt. Het krijgt extra water.
Waarom? Omdat hij het met de juiste intentie deed. Dus als we dingen doen met de juiste intentie, in'sha'Allah, zullen ze voor ons verschijnen op de Dag des Oordeels. God verhoede als we dat niet doen, dan lijkt het misschien alsof we een zaadje hebben geplant, maar in werkelijkheid hebben we nooit een zaadje geplant.



























